Die Walkure

Een fijne regen aarzelt neer op onze handen,
als donkerbruine vlekjes op onze schoenen.
Een koude druppel op een droge onderlip.
Ik lik het dorstig weg : water als druppel is lekker.

Door hemels trommelgeroffel aangemoedigd,
niet wars van theatraliteit,
verhoogt de hemel de inzet tot eens stortvloed.
Daarboven, vanuit een grijze dreiging,
weet men alle kragen recht te zetten 
en hoofden buigen nederig in onmacht.
Wie lacht daar ?
Maar plots : het licht van van ver als Haleluja.
Ik open mij en zie,
een goudgele parelpracht, en voel,
een warme zuiderwind, en ruik,
verstuifd vanuit een roestig tapijt, 
een bladerparfum.

Onder mijn jas koester ik een kleine camera obscura,
beschermd, en ik hou het zo :
dit alles is teveel voor de vrucht tussen mijn jas en buik.

(epiloog)
Ik zie dan ik ben afgedwaald
en voel een lichte pijn, een eenzaamheid,
want waarom kunnen wij niet delen zonder woorden,
slechts in beelden en in geuren ?

Antwerpen, 3 April, 2006.
Terug naar overzicht