Gek toch ? (Overdrive)
Zoals Wodan vorig jaar.
Wat heb je, zei ik heel de tijd in de auto.
Aan het concentreren of wat ?
Het is verdomme nog een uur rijden.
Communicatie m’n gat.
Gezellig hier. Slecht geslapen? Lief kwijt of wat?
Raak.
Maar dat wist ik toen nog niet.
En hij liet het ook niet merken.
Vijf auto’s en zonder pinken zigzagden ze voorbij.
Drie ervan BMW’s. Daar let ik altijd op.
En maar plakken in elkaars gat. Homo’s.
Wodan, wat een naam toch. Goed dat hij geen zus had.
Isolde. Met vlechten dan. Pff, stel je voor.
Je kan je een weg ergeren door het verkeer, al was het maar tegen de verveling.
Veel mensen doen dat. Elke avond. En ik deed het ook.
En zo geraakte dat uur ook voorbij. En konden we beginnen uitpakken.
Touw, setjes, de hele winkel. Het was herfst en zoals voorspeld waren we alleen.
Het hoogseizoen voorbij. Het ging me trouwens goed af die dag. Ik wou zelfs voorklimmen.
Iets wat ik altijd aan de anderen overliet.
Gewoon uit schrik en geen zin om die te overwinnen.
Vandaag maakte het niet uit. Niks angst, dus niks te overwinnen.
Met slechts 1 rustpoging lukte het me.
Terwijl ik boven zat te hijgen hoorde ik de setjes rinkelen : hij was ook vertrokken.
Ik boog voorover. Wat een verschil in stijl. Ik grijp, ik blok, ik spring, ik klem.
Trek zucht, roep en tier, maar hij niet.
In slow-motion, als een luiaard. Elke beweging was berekend.
Ontspannen, en met een uitgestreken gezicht. Niks vermoeidheid. Louter concentratie.
Ook als hij bovenkwam hoorde je zijn ademhaling nooit.
Maar nu liep het anders. Halverwege haakte hij zich vast aan de muur.
Wat heb je, riep ik, gaat het nu al niet meer. Het stond me wel aan.
Vandaag was ik misschien de sterkere. Moch wel verdomme.
Ik oefende me te pletter om toch een beetje zijn niveau te kunnen halen.
Niet voor de competitie, dat interesseerde me niet.
Maar hij leek me nooit echt enthousiast. Hij leek er zelfs nooit van te genieten.
Moest ik hem kunnen bedreigen zou dat allemaal veranderen.
Hij zou zich moeten reppen. Mij nauwlettend volgen, bij elke pas.
Hoe heb je dat nu gedaan - zou hij geirriteerd vragen.
Geirriteerd omdat hij het zelf niet eerst gevonden had.
Maar zover is het dus nooit gekomen. Hij maakte zijn touw los, klikte het setje uit
en viel.
Traag.
Het was windstil.
Niks bewoog.
Alleen hij.
Het deed me denken aan die avonden.
Dat mijn vader me zei dat ik in de tuin moest gaan spelen.
Alleen, tussen grijsgrauw geworden gekalkte muren, en een paar struiken zonder takken.
Het was winter en dus werd het vroeg donker.
Steeds had ik schrik dat met het vallen van de avond, de wereld rond mij zou verdwijnen.
Vaak hoorde of zag ik niets gebeuren. Geen enkel teken van leven.
Ik stond daar, in het midden van de tuin.
Ik bad voor een geluid.
Van een buurvrouw.
Of een auto.
Of het horen van een baby door een openstaand raam.
Kleuren verdwijnen nadat de zon onder is gegaan.
En als je niets doet in de tuin.
Als je er gewoon maar wat staat te staan.
Dan voel je de kou.
Dan voel je het donker worden.
De slag was dof en met een vies gekraak.
Ik keek voor me uit.
Mooi avondzicht is het hier altijd.
Ik heb dit gisteren verteld. In bed, aan haar.
We lagen nog wat na te stinken, zoals we het zelf graag noemen.
Nog een beetje snuffelen. Zolang het in de roes nog lekker ruikt. Kloteverhaal.
Meer zei ze niet. Was niet verwijtend bedoeld. Gewoon een opmerking. En het is waar.
Net zoals dat van jou, zei ik. Jouw verhaal van vorige keer.
Elke week een verhaal. Een hele stapel al. En altijd op hetzelfde moment.
In bed, als we nog wat liggen na te stinken. Geen vensters open. Amper eten, soms wat drinken.
Beneden hoeven we niet te zijn.
Boven is van ons. Een hele dag lang. Soms vraag ik me af waar het ons om te doen is.
Gewoon alleen zijn ? Gaat het om die verhalen ? Die verhalen zijn het naspel.
Of juist de hoofdschotel ? Dan is de rest louter voorspel. Misschien is het nodig om los te komen.
Om te durven vertellen. Ik weet dat ik het ene niet zou kunnen zonder het andere.
Ik kan me trouwens ook niet voorstellen dat we dit in de zetel zouden zitten vertellen.
Met kleren aan. Het zou pervert zijn. Kleinburgerlijk netjes pervert.
Weet je wat me opvalt aan die verhalen, vroeg ze. Bedoel je dat het nooit over ons gaat ?
Dat heb ik ook al gemerkt. En dat hoeft voor mij ook niet. We wonen ook niet samen.
Zij zal niet in mijn kasten neuzen. En ik pak zelf de glazen en ik schenk zelf in.
Ze blijft niet eten of niet slapen. Ik sluit de deur achter haar, en draai het nachtslot dicht.
Zelfs geen kus. Louter een glimlach. En ik weet waarom ik niks over mezelf zeg.
Dan zou ze zich verplicht voelen om hetzelfde te doen. En dat wil ze niet.
Ik wil ook niet weten waar ze woont, dat haar vader te hard werkt,
haar zus een jaar lang reist, haar vorige vriend te saai was en die daarvoor heel veel geld had.
Zij wil die dingen ook niet weten van mij. Ze heeft dat nooit gezegd, maar ik voel het.
Het is ook beter zo. Geen reden om risico’s te nemen.
Je weet wat komen gaat met zo'n vast patroon. Elke stap gekend.
Van het begin van de avond, met de kus op de wang, tot het
afscheid aan de deur. Zonder kus. Al zijn we hier ooit bijna in de fout gegaan.
Oeps. Effe lachen, snel gecorrigeerd.
Sindsdien is het een beetje vervelend dat afscheid. De routine lijkt gebroken. Een kleine barst. Iets waar je voorzichtig mee moet omspringen. Het wordt te pijnlijk. Dat afscheid wordt steeds langer uitgesteld. Dan zitten we beneden, zonder een woord te zeggen. Een paar minuten, denk ik. Dan gaat het snel : even diep ademhalen - bon, ik ga maar weer. En ik haal je jas. We komen terug samen aan de voordeur. Geen kus. Nachtslot. Ik doe het licht beneden uit en ga naar boven. Check nog even de klokradio.Laatste licht uit.
Voor volgende week hebben we nog geen dag afgesproken. Wachten op een e-mail. Misschien stuur ik er zelf wel een. Maar ik wacht liever. Het was het eerste wat ik ooit van je kreeg. Een kort berichtje…
Maar goed, slapen nu.
|