Klem

Ik heb geen tijd. Geen lucht.
Elk vak - wit of zwart - een mijnenveld.
En stukken buigen zich naar me, groter en groter.
Wanhopig, ik heb geen uitweg. 
Klem.

Ik stop.

Ik open mijn ogen en prompt hoor ik het gedreven tikken van de voorjaarsregen 
tegen mijn dakraam.

Vijf voor twee.

De wind laat de regen dansen op het zacht wiegend ritme van haar gefluit. Nu zeer 
gedreven. Dan weer zacht.
De balken verraden zich met amper hoorbaar gekraak.
Ik adem diep in. Als geruststelling.
Het is een pekzwarte nacht.
Ik kijk rond maar zie niks.
Alleen mijn rechterhand, verlicht door roodbruine schijn van de klokradio.


Geen uur. Geen keus.

Ik knijp de ogen goed dicht en ga nogmaals de confrontatie aan.
Maar dit is een verloren zaak.
Het bord verschijnt onmiddelijk weer, als geschilderd door Salvador Dali. 
Het golft als de zee. En ik sta er midden op. 
Het gehoorzaamt aan eigen wetten die slechts 1 doel hebben : 
me achtervolgen en versmachten. 
Zonder schroom zal het zijn perspectief vervormen, spelregels aanpassen, de klok 
terugdraaien of verder zetten.
Het bord is nog leeg, maar nu reeds is de dreiging ondraaglijk.
Ik voel iets achter me en plots staan ze daar.
Allemaal tegelijk. Vlak bij me, voor me, naast me.
En elke poging die ik maak om te ontsnappen is bij voorbaat gedoemd, 
want dit is mijn droom. En ik moet er machteloos aan gehoorzamen.

Maar ik open de ogen niet. Ik geef niet op. Ik herpak me.
Ik smelt de stukken een voor een weg, 
en ze lopen als kaarsvet over de rand heen.

Het bord is nu leeg, en golft niet meer.

Gewonnen.

Maar met de droom is ook de slaap verdwenen.
Ik tast naar het lichtknopje en open voor de tweede maal de ogen. 
Dit keer veel trager, om aan het licht te wennen.

Drie na twee.

De regen vervolgd haar dans. Ze heeft hier geen weet van.
Ik strompel naar beneden op zoek naar een glas water.
Op mijn weg terug neem ik een A4-velletje en een vulpodlood mee.
Terug in bed neem ik - zoals steeds - een stripverhaal met harde kaft dat dienst 
zal doen als schrijftafel.


Het was acht uur toen ik met gonzend hoofd voor de lakens koos.
Het harde late lentelicht was niet van plan me ter gunst te zijn. In tegendeel : het keek me beschamend aan.
Voor minstens nog een uur, dacht ik, en ik trok de dekens over mijn hoofd.
Ik herinner me verder niets meer.
Alleen de droom.
Neerpennen.
De podloodminnetjes willen niet mee en met nerveus geschud en geklik probeer ik ze terug tot de orde te roepen.


M'n blad is nu volgeschreven en voor een extra vel moet ik uit bed...
Ik sluit maar af.

Merkwaardig toeval. Mijn schrijftafel is een debuut van twee jonge franse vrouwen en heeft als titel
"De Versteende Droom".

Antwerpen, 8 Mei 2004
Terug naar overzicht