Pluk de dag
Verstijfd zit ik hier
in kleding die brandt als peper.
Symmetrisch gespreid mijn vingers
met lucht ertussen. Te snijden.
Mijn lippen beheerst open.
Zouden ze elkaar raken
ik zou ze weg krabben.
Het was ook zo gezaaid.
Door verkrampte darmen
die me kort geleden wakker fluisterden.
Nog steeds liggend in die ene hoek van mijn bed.
Als ontbijt, de opstijgende dampen van mijn plakkend lichaam.
De tram schokt voort.
Keer op keer drukt vreemd vlees tegen me aan.
Vochtige adem in mijn nek.
Met mijn zeis maai ik iedereen neer.
Maar eigenlijk doe ik niets.
De zon stinkt.
Steeds meer volk neemt lucht weg.
Ze steken frontaal met glimlach.
Mijn blik slaagt niet te doden.
Verbaasd sta ik terug voor mijn deur.
Die tramrit was mijn dag
en hij is voorbij.
Snel ga ik binnen
want de straat lacht me uit.
|